Accent
HEMMO B. DREXHAGE.

„Harlekijn" van Veen: een gekke, dolle, dwaze jongen

26 augustus 1968

Diligentia Den Haag, vrijdagavond. Een uitverkochte zaal. Het licht gaat uit en een late bezoeker komt vals fluitend binnen en beklimt liet podium. Het programma „Harlekijn" van Herman van Veen is begonnen. Deze ongedwongenheid is typerend voor hem; die schijn van improvisatie. „Alles is tot in de details ingestudeerd. Ik heb daarbij veel steun aan regisseur Nico Knapper, die als een soort superkritische toeschouwer mijn programma bekijkt en voortdurend op mijn presentatie let. Na afloop bespreken we dan samen wat we nog kunnen bijslijpen".


„Alles wat op het toneel gebeurt lijkt op het moment zelf spontaan te ontstaan". „Ik hoop daarmee mijn publiek meer bij de voorstelling te betrekken. Daarom ga ik ook regelmatig de zaal in. Mijn publiek moet het gevoel hebben dat ik één van hen ben. Natuurlijk gebeurt het wel eens dat ik tijdens een voorstelling een inval krijg, die succes blijkt te hebben. Ik kijk dan of die wel in mijn programma past en vooral of ik hem zelf wel leuk vind, dan probeer ik hem een paar keer uit en misschien neem ik hem dan op. Ik wil dat mijn publiek, om het maar eens vreemd uit te drukken van de ene naar de andere kant gegooid wordt. Tenslotte breng ik amusement. Nee, ik zou het eigenlijk geen cabaret willen noemen, maar toch zou ik graag willen dat de mensen herkennen wat ik doe. Ik bedoel, ik wil een beetje menselijkheid brengen. Daarom breng ik bijvoorbeeld dat bittere liedje "de poort" van Jules de Corte midden in een lach. Je zou dat kunnen vergelijken met een verkeersongeluk, dat gebeurt ook zo maar, opeens, in het vrolijke leven. Nee, ik geloof niet dat ik een geëngageerd soort cabaret of amusement breng. Misschien later, ik weet het nog niet".

Herman van Veen bruist van energie en dan is het woord bruisen eigenlijk nog te zwak: hij explodeert op het toneel.
Met zijn presentatie doet hij nu net alle dingen, die vroeger als onmogelijk en tegen alle regels beschouwd werden. Hij vult zijn speelruimte volledig met zijn gekke sketches, invallen en muzikale escapades. Voor dit laatste onderdeel zal zijn studie aan het Utrechts conservatorium hem zeker van groot nut gebleken zijn. Maar de ongedwongen en overrompelende manier van presenteren is zijn grootste kracht.

Later in de kleedkamer blijkt hij een hele rustige jongen, die direct bereid is even te praten. Geen sterallures. En je voelt dat je met een vakman spreekt, zij het dan nog een hele jonge: hij is 22 jaar.

De hele opbouw van zijn programma, de perfecte technische begeleiding en de uitgebalanceerde muziek zijn het resultaat van gedegen en hard repeteren: elementen voor een carričre.
Herman van Veen blijkt ook een goede observator van mensen:
dat zie je aan de talloze details in zijn voordracht. Hij durft ook absurde situaties aan en confronteert zijn publiek er rustig mee, zodat men er ook de humor van gaat inzien.

Als rustpunt in zijn programma treedt Floortje Klomp op, die zowel in het Frans als in het Nederlands een aantal luisterliedjes zingt. Hoogtepunten uit het programma „Harlekijn" vind ik toch nog altijd „Menuet" en het gevoelige „Waar blijft de tijd?" Men heeft wel eens geklaagd dat „de grote drie" geen opvolgers zouden hebben. Voor Herman van Veen ligt de weg naar de grote podia open.



HEMMO B. DREXHAGE.