Goudse Courant

Cabaretier in eigen stijl

Herman van Veen in Goudse schouwburg deed knappe dingen

6 juni 1969

GOUDA Donderdagavond trad in de Schouwburg de jongste vertegenwoordiger in het cabaretgenre op: Herman van Veen. De allereerste kennismaking met hem was wel ietwat verbijsterend. Men heeft in ons land de gewoonte om kunstenaars, of het nu schrijvende, beeldhouwende of schilderende kunstenaars zijn, in een hokje onder te brengen en er daarna een etiket op te plakken. Dat is gemakkelijk, want dan kan men later de prestaties afmeten aan de normen, die gelden voor de soort en de kritiek is all-round.


Maar met Herman van Veen gaat dat niet. Is hij een cabaretier? Dan moet hij iets weg hebben van een Sonneveld, een Wim Kan of van Lurelei. Minstens. Maar Herman van Veen is alleen maar Herman van Veen. In het hokje van het cabaret past hij niet.

Hij is trouwens helemaal geen man, die zich in een hokje zou laten. opsluiten. Hij zou er dadelijk met al zijn lenige benen en armen uitspringen en heerlijk dwaas over het toneel gaan buitelen, rennen, dansen, schreeuwen, zingen of heel stil fluisteren. Er zijn een heleboel dingen op het toneel, die hij zomaar doet, blijkbaar, omdat hij het leuk vindt.


Enorm tempo


Maar hij doet al die dingen zo technisch knap, zo uitgebalanceerd en in 'n zo'n verschrikkelijk tempo, dat men zich meermalen bezorgd afvraagt hoe lang hij dat zal kunnen volhouden. Hij speelt met zijn lichaam, zijn kleren, de microfoon, met de piano, hij klimt er zelfs over en in, hij speelt viool (en dat verraadt onderricht). Het hele toneel van de Schouwburg was vol met Herman van Veen. Als men een gedeelte van zijn programma over zich heen heeft laten gaan, dan komt de vraag: Wie heeft hier de regie? Alles is precies getimed, alles klopt. De regie heeft Nico Knapper. Geraffineerd vakwerk.

Als men naar een cabaretuitvoering gaat van de geijkte vorm, dan weet men wat te wachten staat: een liedje, een serie min of meer verborgen woordspelingen, een steek onder water en een steek boven water, een gniffeltje hier en een lonkje daar, een geestige conference, waarmee de buurman zijn maal doen kan. Herman van Veen doet het wel een tikje anders. Misschien hebben we hier te maken met een revolutie op het gebied van het cabaret, even revolutionair als een combo bij een godsdienstoefening.


Ongrijpbaar


Zijn conferences wijken wel sterk af van het gewone patroon: geen climax, integendeel, zijn met een gewone stem begonnen praatje verzandt al spoedig in zinloos lijkens gekabbel en gebrabbel, dat bij goed luisteren toch intelligent in elkaar zit. Het enige bezwaar, dat men tegen hem kan hebben is, dat hij soms wat al te gemakkelijk en op de rand van banaliteit aan een succesje probeert te komen. Verder is hij zo ongrijpbaar als een druppel kwikzilver.

Een voortreffelijk jazz-ccmbo, waarin de pianist en de slagwerker opvielen, ondersteunden het werk van Van Veen, die slechts weinig, te weinig, meest jeugdig, publiek heeft kunnen trekken, maar voor wie, als hij zo doorgaat, mettertijd de liefhebbers, de rij zullen staan!