DE VOLKSKRANT
Arjan Peters

Wilmink, grootheid in verlegenheid

Postuum : Oeuvre van dichter Willem Wilmink is doordrenkt van aangeboren weemoed

4 aug 2003

De zaterdag overleden Willem Wilmink had een veel bredere pozie-opvatting dan menig literair criticus: van Vader Abraham tot Herman Gorter. De bron van pozie.zag hij in de liedkunst.


Het literaire van een tekst interesseerde hem naar eigen zeggen 'geen barst. Zodra men een gedicht "knap" noemt, is er iets mis. Dan heeft het je niet beroerd.'

Een uitspraak die Willem Wilmink typeert. Zaterdagavond is de dichter, kinderboekenschrijver, bloemlezer en vertaler op 66-jari- ge leeftijd overleden in zijn woonplaats die ook zijn geboorteplaats was, Enschede. Hij studeerde Nederlands en geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij tussen 1960 en 1978 moderne letterkunde doceerde. Zijn leraarstalent leefde hij daarna uit in diverse bloemlezingen en de 'schriftelijke cursus dichten', die als In de keuken van de muze (1991) werd gebundeld.

Op democratische wijze behandelt hij daarin zowel liedjes en rijmpjes als gedichten van uiteenlopende namen als Hendrik de Vries, Koos Speenhoff, Hans Lodeizen, Vader Abraham, J.A. dr Mouw, Herman Gorter, Carmiggelt en G.A. Brederode. In Wilminks ogen was het domein van de pozie aanmerkelijk breder dan menig criticus meent. En vaak ook aanmerkelijk vrolijken Dat de pozie, ja alle literatuur, voortkomt uit de liedkunst is in het leven en werk van Wilmink altijd zichtbaar. Hij heeft talloze liedteksten geschreven voor baanbrekende kinderprogramma's, die de dertigers en veertigers van nu nog kunnen dromen: De Stratmakeropzeeshow, J.J. de Bom voorheen De Kindervriend, De film van ome Willem ('Luister even wat ik roep:/ Lust jij ook een broodje poep?' is van de hand van Wilmink), Sesamstraat, Klokhuis en Kinderen voor Kinderen.
Maar daarnaast schreef hij ook voor Herman van Veen, Joost Prinsen ('Frekie', over een imbeciele jongen: 'Als het raak was, dook de keeper/ mooi naar de verkeerde kant,/ en 't was goal, en dan was Frekie/ kampioen van Nederland') en de cabaretgroep Don Quishocking. Uit hun evergreen 'De oude school': 'Je speelde in een schooltoernooi/ en het begin was wondermooi:/ fijn voetbalweer,/ je kreeg met 10-1 op je smoel,/ de kleine keeper in zijn doel/ hij weende zeer.'

De meeste teksten van Wilmink staan in de bundels Verzamelde liedjes en gedichten (1986) en Ernstig genoeg (1995). Daaruit blijkt zonneklaar waarin hij een grootheid was: verlegenheid. Rond Wilmink zongen verhalen over depressies en hartinfarcten, maar het leek wel of die woorden te groot en zwaar waren zodra je de man op de televisie zag of zijn teksten hoorde.

In plaats van de Kunst koos hij voor kleinkunst, en al vertoefde hij lange tijd in de hoofdstad, hij was toch het meest op zijn plaats in Enschede. Daar woonde hij ten tenslotte in dezelfde Javastraat waar hij opgroeide:

"k Heb in andere straten/ en steden verkeerd,/ ik heb veel ondervonden/ en best wat geleerd./ Ben al ver op mijn weg/ van de wieg naar de kist/ en wat ik bijleer lijkt steeds meer/ op wat ik al wist/ in de Javastraat.'

Zo bleef hij ook letterlijk verbonden met zijn achtergrond: een jongen, later een oudere jongen, die kon wegdromen over voetbal en meisjes, maar per saldo senang was in zijn vertrouwde omgeving. Te bescheiden om zich pontificaal als grote kerel te presenteren die de wereld met gemak veroverde, maakte hij die verlegenheid zelf tot handelsmerk.
Wanneer hij optrad met eigen werk, zichzelf begeleidend op de trekzak, werd het soms bijna sneu: de besnorde man met die open kijkers, die met ongeoefende stem en al even trillende handen de accordeon beproefde, daarbij ook nog zingend over de onhandigheden van hemzelf en anderen. Zoals Ben Ali Libi, over de joodse illusionist Michel Velleman die in Sobibor omkwam: 'En altijd 'als ik een schreeuwer zie/ met een alternatief voor de democratie,/ denk ik: jouw paradijs, hoeveel ruimte is daar/ voor Ben Ali Libi, de goochelaar'. Las Wilmink deze tekst voor, dan brak zijn stem.

Sneu was Willem Wilmink echter allerminst. Daarvoor zijn zijn teksten te goed en behendig (om het woord 'knap' te omzeilen): geestig, en doortrokken van een aangeboren weemoed die verstoken is van welke pose dan ook. Wilmink ontving de Louis Davids-prijs, twee Zilveren Griffels, een Gouden, en de Theo Thijssen- prijs. Daar had best nog een Huygens- of Hooftprijs bij gekund. Maar het lijkt erop of die jury's met de erkenning van Annie M.G. Schmidts verdiensten hun uiterste concessie hebben gedaan, ook in schijnbaar 'eenvoudig' amusementswerk meesterschap te kunnen ontwaren.

Het is te laat om ze met een juweeltje als Achterlangs om de oren te slaan:

'De meeste treinen rijden achterlangs het leven./ Je ziet een schuurtje met een fiets er tegenaan./ Een kleine jongen is nog op, hij mag nog even./ Je ziet een keukendeur een eindje openstaan. (...) Zodra de schemer was gedaald/ was je niet langer meer verdwaald. (...) Maar ach, de trein is doorgegaan/ en kilometers daarvandaan.'



Arjan Peters