Nieuw Utrechts Dagblad
BOB MALMBERG

Van Veen faalt in Belgische Princess

28 nov 1969

Utrechtse Harlekijn Herman van Veen is er weer in getuind. Op de televisie kon hij al niet waarmaken wat hem op de planken zo goed afging. Toen hij dat zelf begon te ontdekken, kapte hij zeer verstandig met dit werk. Veel van die bittere lessen heeft hij toch niet opgestoken, want nu een half jaar na zijn teevee-afgang, probeert hij het op het filmdoek, opnieuw levensgroot, maar even onmogelijk als op de buis.


Princess (Strip-poppie) heet de film, waarin de Belg Herman Wuyts (regie en scenario) hem weinig geslaagd door Europa laat draven, rennen, struikelen, springen en dansen alsof het niet op kan.
Het begint in Brussel. Daar drukt hij foto's van een mooi meisje af, botst hij met auto's, rent hij trappen op en af en raapt hij een uit het raam gegooide roman van een vriend bij elkaar. In VenetiŽ (flash-backs) schiet hij even later foto's van dat mooie meisje, vaart hij in gondels, drinkt hij champagne en danst hij tussen de duiven.
Weer terug in Brussel versiert hij bij een seksuitgever voor hem, zijn vriend-de-schrijver en zijn vriendin een opdracht voor een fotostrip. In Londen gaat hij op zoek naar het mooie meisje dat hij in VenetiŽ fotografeerde, in de miljoenenstad vindt hij haar bij toeval op het vliegveld, sleept hij haar mee en leert hij haar onderweg Nederlands.

In Brussel dan voert hij zijn model als prinses binnen, rent en draaft hij als een bezetene, zet hij haar schietend tussen gangstermeisjes met blote borstjes en doet hij nog veel meer om haar ster te laten schijnen. Uiteraard krijgt het mooie meisje er een keer de buik van vol en vlucht weg, maar dankzij een demonstratie van een anti-slipschool komt hij nog net op tijd om haar een laatste kusje te geven.

Als het zover is, is de kijker al lang afgeknapt van deze mooi door Ralf Boumans gefotografeerde, in een sneltreinvaart gepresenteerde Belgische kisch en in de zoutloze seks-of-ik-schiet-stijl, waarin Herman van Veen erbarmelijk acteert, erbarmelijk Engels spreekt en erbarmelijk levenslustig doet, om over zijn Engelse tegenspeelster Virginia Mailer maar te zwijgen.
Het is al meer gezegd: Herman van Veen redt het uitstekend met zijn doodsbleke zangerigheid, zijn muzikale capriolen, acrobatische toeren en gekke bekken in levende lijve, met een publiek om zich heen. Maar op de teevee en in de film blijft hij een steriel mannetje, dat van gekkigheid niet weet hoe hij kijken moet. Hij moet maar gewoon cabaretier en liedjeszanger blijven.
Dat is al moeilijk genoeg.



BOB MALMBERG